Libertarisme in de USA: leeslijstje

Tijdens het blokken vond ik een aantal boeiende essays over de invloed en de positie van het libertaire denken binnen de Amerikaanse samenleving. Ik hoop er na de examens iets over te kunnen schrijven, maar in de tussentijd wil ik deze essays reeds met u delen (bij voorkeur te lezen in volgorde: de tweede is een reactie op de eerste, enz.)

  • Beam, Christopher, The Trouble With Liberty, New York Magazine
  • Friedersdorf, Conor, The Trouble With Non-Libertarians, The Atlantic
  • Douthat, Ross, The Specter of Minarchy, The New York Times
  • Klein, Ezra, What libertarians should, and shouldn’t, be blamed for, The Washington Post
  • Wilkinson, Will, When socialism and libertarianism collide. Who’s to blame for American health care?, The Economist
  • M.S., Where liberals have become more libertarian, The Economist

Aan mijn dierbare medestudenten: veel bloksucces!

De staat staat stil

De politieke problemen in dit land kunnen niet blijven duren. Het antwoord kan gevonden worden in een regering (met symmetrische samenstelling t.o.v. de deelstaten) die de socio-economische politiek voor rekening neemt, terwijl een sterk parlement werkt aan de institutionele hervorming. Zo worden de financiële markten gekalmeerd en kunnen de politieke actoren op beide vlakken een succesvol beleid voeren.

Op het moment van schrijven (’s avonds, donderdag 6 januari 2011) is de zoveelste poging tot het bereiken van een consensus over institutionele hervorming mislukt. Na 207 dagen intensief onderhandelen is de stekker eruit en zelfs van een minimum aan vertrouwen tussen de onderhandelende partijen lijkt er geen sprake. Koninklijk bemiddelaar Johan Vande Lanotte heeft in Laken zijn ontslag aangeboden aan de koning, nadat hij sinds 21 oktober 2010 heeft gewerkt om de standpunten van de zeven partijen (N-VA, PS, CD&V, sp.a, cdH, ecolo en Groen!) met mekaar te verzoenen. Zonder succes, zo blijkt. Het staatshoofd houdt het ontslag van VDL voorlopig nog in beraad, maar het kan intussen geen kwaad om na te denken over hoe het nu verder moet – of niet moet.

De eerste optie hangt reeds lange tijd als het zwaard van Damocles boven de Wetstraat en is waarschijnlijk deels te wijten voor het tekort aan toeschietelijkheid en het surplus aan straffe taal bij de partijen: opnieuw verkiezingen. Hiermee zouden de politieke actoren aan de bevolking opnieuw vertrouwen kunnen vragen, eventueel de kans geven om de kaarten te herschudden. Deze optie wordt regelmatig aangehaald door politieke analisten en politici (meestal gevolgd door de woorden “… nu echt onvermijdelijk”), maar mijns inziens zijn verkiezingen geen oplossing. Zij kunnen mogelijk meer tijd kopen, of de teller resetten in de hoop dat we niet het wereldrecord “langste formatie” neerzetten, maar aan de politieke realiteit zullen zij niets veranderen. Hooguit wipt de Open VLD over de sp.a, krijgt Groen! een percentje meer, ruilen N-VA en CD&V nog wat zwevende kiezers uit, maar de machtsverhoudingen zullen niet fundamenteel omgegooid worden. De N-VA houdt het merendeel van haar kiezers voorlopig tevreden, idem voor de PS. Wat ook het resultaat moge zijn van nieuwe verkiezingen, het zullen die twee partijen zijn die opnieuw de ring ingeduwd worden. Terug naar af.

Of toch in het beste geval. Feitelijk is het niet ondenkbaar dat nieuwe verkiezingen een verregaandere polarisatie zouden opleveren, tussen Vlaanderen en Wallonië maar ook tussen links en rechts. Politieke analisten spreken nu reeds over een “referendum over het voortbestaan van België” langs Vlaamse zijde. Afhankelijk van hoe de motieven van de kiezer worden uitgelegd, kan daar wel ‘ns wat van waar zijn. Of een dergelijke verkiezing wenselijk is in de huidige omstandigheden, is nog maar de vraag: het gebrek aan krachtdadige regering en de hoge schuldenlast komen steeds meer in de schijnwerpers van de financiële markten, waardoor België problemen kan krijgen wat betreft investeringen vanuit het buitenland en de Belgische staat wel ‘ns failliet zou kunnen eindigen. Gelukkig lijken alle partijen zich hiervan bewust en is er in de Wetstraat niemand die nieuwe verkiezingen echt als optie ziet.

De tweede optie zou zijn om, zoals Wouter Beke (CD&V) suggereert, Vande Lanotte voort te laten ploeteren om de plooien glad te strijken voor er aan definitieve onder­handelingen begonnen wordt – het “onderhandelingsklaar maken” van de nota, in zijn woorden. Ook christendemocratisch veteraan Mark Eyskens leek vanmorgen een gelijkaardige handelswijze voor te stellen in het programma De Ochtend op Radio 1. Concreet zou het erop neerkomen dat de partijen een lijst van bezwaren overmaken aan de bemiddelaar, die deze bezwaren samenvoegt tot één addendum bij zijn nota. We kunnen slechts veronderstellen dat Eyskens hiermee impliceert dat Vande Lanotte meteen de tegenstrijdigheden uit het addendum wegmasseert, waardoor de moeilijkste hordes verwijderd worden voor de eindspurt.

Hierbij rijst echter de vraagt: wat moet er dan nadien nog onderhandeld worden, als Vande Lanotte alles netjes voorkauwt? Een dergelijk optreden zou slechts betekenen dat de zeven partijen zelfs niet in staat zijn om zelf de laatste obstakeltjes te verwijderen – door een gebrek aan visie, door een gebrek aan moed om mekaar recht in de ogen te kijken tijdens onderhandelingen of in het ergste, maar waarschijnlijkste geval: een combinatie van beide. Is dat dan echt de equipe waarmee naar de formatieronde getrokken wordt? Wordt dat een capabele regering, die miljarden euro’s moet besparen en de Belgische positie binnen de internationale economie stabiliseren? Omgekeerd, als Beke en Eyskens door Vande Lanotte gewoon een addendum willen laten opstellen dat later onderhandeld wordt door de zeven partijen samen, kan men zich afvragen waarom ze hun bezwaren zélf niet noteren en meenemen naar de slotronde. In dat geval lijken de zeven partijen opnieuw visie en moed te ontberen om bijeen te zitten en op een geciviliseerde manier suggesties en amendementen aan te brengen; geen goed teken voor de toekomst van de regeringsploeg.

Bij deze optie kunnen we een laatste bedenking maken: quo vadit? Waartoe zal deze werkwijze van hervormen, met onderhandelingen ad infinitum, leiden? Vande Lanotte is immers niet de eerste conciliateur of waarop het Hof een beroep heeft gedaan: ook Bart De Wever heeft in zijn hoedanigheid van clarificateur een soortgelijke missie uitgevoerd en voor juni 2010 was er het eeuwige wachten op de nota-Dehaene, waar Jean-Luc the plumber zelf hoofdpijn van kreeg, blijkens zijn pessimisme toen hij zijn opdracht teruggaf aan de koning. Of de koning maandag de opdracht van Vande Lanotte verlengt of een andere bemiddelaar aanstelt, zal in deze geen verschil maken: deze manier van werken werkt niet. Laten we dan ook geen genoegen nemen met verder uitstel en blijvend aanmodderen in bilaterale besprekingen terwijl de staat stilstaat.

Ook optie 2 (meer van hetzelfde) blijkt dus geen soelaas te bieden. Verandering van modus operandi blijkt nodig.

Over naar de derde optie. Deze optie is ontsproten aan het brein van N-VA-voorzitter Bart De Wever, die voorstelt om de grote oneffenheden met slechts twee partijen glad te maken, te weten N-VA en PS. Onderhandelen met zeven zou slechts tot een nieuwe impasse leiden, zo stelt De Wever in Terzake (hij mag me wel ‘ns vertellen waarin we nu zitten). Met twee is het volgens zijn logica eenvoudiger om raakpunten te zoeken en zo de motor in gang te zwengelen. Een redenering waarvoor wat te zeggen valt, maar de omzetting naar de praktijk kan problematischer zijn dan we op het eerste zicht vermoeden. Indien twee leeuwen in een dominante bui samen in een kooi geplaatst worden, zijn ze maar zelden geneigd vriendschap te sluiten. Mijns inziens kan een vruchtzame relatie slechts opgebouwd worden wanneer er reeds een sfeer bestaat van vertrouwen, belangstelling, eerlijkheid, bereidheid om te luisteren. Door in dergelijke omstandigheden samen te zitten, kan de ander doorgrond worden en ontstaat er wederzijds begrip en respect. De sfeer heden ten dage, daarentegen, is onvruchtbaar voor wie verbroederen wil: wantrouwen, angst voor de ander, politieke spelletjes, tunnelvisie domineren het denken van diegenen die de staatshervorming moeten realiseren. Het voorstel van De Wever komt dan ook te laat in mijn ogen.

“Jamaar,” zegt de N-VA-leider in één ruk door in Terzake, “ik zeg dat al zes maanden.” Een statement dat – ook al zou het gerust waar kunnen zijn – het wij-tegen-zij-gevoel nog ‘ns benadrukt. In hetzelfde interview bekritiseert hij eveneens zijn gestrikte tegenhanger, aangezien hij “theatrale verklaringen aflegt zonder eerst de hoofdrol­spelers te contacteren” omtrent zijn opening naar de liberalen, waarvan de N-VA blijkelijk niet op voorhand op de hoogte werd gebracht. Deze paar uitspraken tonen aan dat Bart en Elio nog een lange weg te gaan hebben als het hen menens is wat betreft het toenadering zoeken: beiden hanteren immers de taal van concurrentie om de stem van de kiezer, niet die van bondgenootschap voor een betere staat. Idealiter zou er een cooldown-periode moeten komen na de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, maar daarvoor zal geen tijd zijn: de wereld om ons heen stopt niet met draaien. Stilstaan is achteruitgaan.

Plan 3 is dus moeilijk te realiseren, zeker binnen een korte tijdsspanne. En toch zal een terugkeer van het vertrouwen noodzakelijk zijn, willen de onderhandelende partners nog wat bereiken met hun gesprekken.

Dit brengt ons tot de vierde optie. Wat katalyseert beter een relatie dan een gezamenlijke verwezenlijking? Misschien is het niet zozeer zaak voor de N-VA en de PS om zich klem te blijven rijden op hetzelfde obstakel, zonder verandering in de omstandig­heden waarin ze mekaar spreken. Hierbij schiet Einsteins definitie van krank­zinnigheid door mijn gedachten: steeds hetzelfde opnieuw blijven doen en een ander resultaat verwachten (Insanity: doing the same thing over and over again and expecting different results). In de plaats daarvan zouden de winnaars van de verkiezingen kunnen beginnen met een gezamenlijk project op te starten om de staat in huidige vorm te besturen zolang de staat in nieuwe vorm daar nog niet klaar voor is. Een regering, dus.

Het vormen van een nieuwe regering brengt heel wat voordelen met zich mee. Het nieuws dat België terug een regering met volledige bevoegdheden heeft, zou voor een positieve perceptie in het buitenland kunnen zorgen – de stabiliteit van de Belgische positie ten overstaan van de financiële markten indachtig is dit geen onbelangrijke zaak. Maar ook voor eigen land zou een vergroting van de slagkracht van de uitvoerende macht geen slechte zaak zijn. In principe mag een regering in lopende zaken dan wel alles wat een echte regering ook mag (zolang er parlementaire controle is), in de praktijk wordt gesteld dat zij geen maatregelen mag nemen die de volgende regering in een lastig parket kan brengen, hetgeen haar effectieve macht sterk beperkt. Parlementaire steun zoeken bij de toekomstige meerderheid is mogelijk, maar efficiënter en correcter is het als deze meerderheid zélf het heft in handen neemt. Hierbij zullen waarschijnlijk dezelfde partijen betrokken worden die bij de huidige onderhandelingen aan tafel schuiven, eventueel met de groenen in een gedoogpositie. De zo gevormde regering zou dan symmetrisch zijn met de deelstaatregeringen, hetgeen een lastige spreidstand oppositie-meerderheid vermijdt en hopelijk ook zorgt voor een optimale samenwerking tussen de federale regering en de deelstaten.

Er kunnen vervolgens sociaal-economische maatregelen genomen worden binnen de structuren van de huidige Belgische staat, bij voorkeur in bevoegdheden die niet communautair gedisputeerd worden. Of deze voldoende opbrengen om dit land financieel gezond te houden, is te betwijfelen, maar anderzijds is het onwenselijk om te wachten op een institutioneel akkoord als niemand weet wanneer er een akkoord bereikt zal worden. Bovenstaande oplossing zorgt voor stabiliteit en leidt ertoe dat de institutionele hervormingen ten gronde besproken kunnen worden in het daartoe meest geschikte tempo, zonder daarbij de hete adem van de financiële markten in de nek. De besprekingen omtrent de staatshervorming vinden bij voorkeur plaats in het parlement: dit is immers de enige rechtstreeks democratisch verkozen instelling binnen de federale machtsstructuren. Partijleiders zijn slechts verkozen door de eigen partijleden, bemiddelaars en soortgelijke dei ex machina zijn aangeduid door de monarchie; beiden hebben dus een kleiner democratisch gezag dan volks­vertegen­woordigers.

Het welslagen van een dergelijke werkgroep in de Kamer hangt louter af van de motivatie en het zelfvertrouwen van de deelnemende parlementariërs. Deze mogen niet bang zijn om hun macht als democratisch verkozen vertegenwoordiger van het volk op te nemen en moeten onbelemmerd samen kunnen werken aan een staatshervorming volgens vastgelegde principes, zoals een voorkeur voor homogene bevoegdheidspakketten, een garantie van de interpersoonlijke solidariteit, naleving van de Grondwet en een streven naar fiscale responsabilisering van de deelstaten (de precieze principes kunnen onderhandeld worden bij het opstellen van het regeerakkoord; gezien zij al ergens samengevat zijn, zou dit niet meer dan een formaliteit mogen betekenen). Tevens moeten de betrokken volksvertegenwoordigers bereid zijn om te luisteren en rekening te houden met de bezorgdheden en bezwaren van politieke opponenten en leden van de andere taalgroep. Openheid, vertrouwen, transparantie zijn hier kernwoorden. In tegenstelling tot de huidige onderhandelaars zijn zij mekaars gezicht nog niet beugezien over de maanden (jaren) heen en hebben zij nog geen onderlinge geschiedenis van wantrouwen, bliksemsnelle nons en mislukte pogingen-tot-akkoord. Waar de derde optie moeilijk te verwezenlijken is voor Bart De Wever en Elio Di Rupo wegens hun voorgeschiedenis, kan deze voor parlementairen slagen.

Volgens Ivan Broeckmeyer van De Tijd circuleert een dergelijk scenario al geruime tijd aan Franstalige zijde en ook middenveldsorganisaties (vakbonden en werkgevers) zien er heil in. Bart De Wever en Wouter Beke hebben echter bezwaren. In de woorden van De Wever: “Dat is letten op de winkel, terwijl de rest beweegt.” Vooral bij Wouter Beke is de vrees groot dat een regering zonder staats­hervorming zou leiden tot een herhaling van de affronten uit de tijd van de regeringen-Leterme. Niet onterecht: het mini-akkoord bereikt onder de interim-regering Verhofstadt III (de “borrelnootjes”) belandde in een lade, Leterme I en II waren voorbeelden van de wet van Murphy zonder vooruitgang te boeken in de staatshervorming en Herman Van Rompuy was een liefhebber van rustige vastheid, terwijl de Copernicaanse revolutie vast mocht roesten. Het resultaat hiervan was voor de CD&V zeer pijnlijk: onopgeloste communautaire problemen konden niet alleen tegen Verhofstadt, maar ook tegen Leterme gebruikt worden. De regerende partijen hebben allen een nederlaag geleden in juni 2010, maar CD&V het meest van al.

Toch denk ik dat De Wevers en Bekes angst ongegrond is. De regeerperiode 2007–2010 was immers allesbehalve normaal te noemen: N-VA stapte halverwege uit het kartel met een minderheidsregering tot gevolg, de bankencrisis schudde de ganse wereldeconomie dooreen en leidde bijna tot het failliet van de banken (onder meer Fortis, KBC en Dexia) de premier werd gedwongen ontslag te nemen wegens vermoeden van inbreuk op de scheiding der machten (Fortisgate), zijn opvolger Herman Van Rompuy zocht zijn heil niet in flamingante, maar in eurofiele steun en diens voorvolger/opganger ten slotte zag zich genoodzaakt om De Loodgieter het veld in te sturen en de onderhandelingen te laten leiden door partijleider Marianne Thyssen.

Wie dit turbulent overzicht leest, begrijpt snel waarom de staatshervorming op het laagste pitje werd gezet en uiteindelijk zelfs uitdoofde: deze nieuwe regerings­prioriteiten waren van externe afkomst en niet te voorzien. Deze keer zullen de onderhandelingen echter niet plaatsvinden tijdens het aanloop tot de bankencrisis, maar wel in volle eurocrisis, die alleen een acute dreiging wordt voor ons land wanneer een gebrek aan politieke slagkracht dat toelaat. Er zijn slechts twee mogelijke oplossingen om dit op te lossen: het accepteren van een derderangs staatshervorming die meer kwaad dan goed doet, of het verderwerken aan het communautaire terwijl het socio-economische niet uit het oog verloren wordt. Waar de eerste mogelijkheid altijd slecht is, is de tweede pas onproductief wanneer er geen lessen worden getrokken uit het verleden en de noodzaak aan institutionele hervormingen van de politieke voorgrond verdwijnt. Een sterk parlement kan dit ondervangen en zorgt tegelijk voor de bevestiging van de macht en verantwoordelijk­heden van deze instelling van verkozen vertegenwoordigers van het volk.

Mits deze aanpak correct uitgevoerd wordt, zodat alle betrokken instellingen met volle aandacht en ijver aan de hun toegewezen taken kunnen werken, denk ik dat België uit de impasse gehaald kan worden en er werk gemaakt kan worden van een betere toekomst. Niet onbelangrijk gezien de eurocrisis die in ons werelddeel woedt. Volgens Jean Deboutte van het Agentschap van de Schuld is het verschil van de tienjaarsrente van Belgische staatsobligaties met die van de Duitse met 20 basispunten gestegen sinds de verkiezingen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse kost van 80 miljoen euro. Emma Saunders merkt in de gerespecteerde Britse krant The Financial Times op dat de financiële markt investeringen in België risicovoller vindt dan investeren in Italië, getuige de hogere kost om Belgische schuld te verzekeren tegen default. Zij vreest dat we binnenkort niet meer spreken over PIIGS maar over PBIGS: Portugal, België, Ierland, Griekenland en Spanje als de risicolanden van de eurozone. Tijd voor actie?

Zonder een daadkrachtige regering om de eurocrisis te bestrijden, zullen België, Vlaanderen én Wallonië de gevolgen daarvan jaren dragen waarbij de kansen van toekomstige generaties ontnomen worden. Zonder aanpassing van de structuur van de Belgische staat aan de politieke realiteit van de 21ste eeuw, zullen regeringen achterblijven met gebrekkige wapens om crisissen te bestrijden en een daadkrachtig beleid te voeren. De oplossing kan dan ook geen of-of-verhaal zijn, maar alleen en-en: én een daadkrachtige overheid én een grondige institutionele hervorming voor een efficiëntere staat, beide liever nu dan morgen. Verandering is dus broodnodig, in retoriek én in werkwijze.

2010 in review

Deze mail kreeg ik van WordPress zelf. Even delen met mijn lezers.

The stats helper monkeys at WordPress.com mulled over how this blog did in 2010, and here’s a high level summary of its overall blog health:

Healthy blog!

The Blog-Health-o-Meter™ reads This blog is doing awesome!.

Crunchy numbers

Featured image

The Leaning Tower of Pisa has 296 steps to reach the top. This blog was viewed about 1,200 times in 2010. If those were steps, it would have climbed the Leaning Tower of Pisa 4 times

In 2010, there were 5 new posts, growing the total archive of this blog to 20 posts. There were 17 pictures uploaded, taking up a total of 15mb. That’s about a picture per month.

The busiest day of the year was March 19th with 31 views. The most popular post that day was Files.

Where did they come from?

The top referring sites in 2010 were facebook.com, melomaanskronkels.wordpress.com, mail.live.com, twitter.com, and linkedin.com.

Some visitors came searching, mostly for skrik, william mostmans, wapenstilstand eerste wereldoorlog, thomas aquinas, and thomas jefferson.

Attractions in 2010

These are the posts and pages that got the most views in 2010.

1

Files November 2009

2

De kracht van angst December 2009

3

Over William October 2009

4

Wapenstilstand November 2009

5

Syntheses 1IWCh February 2010

Biecht

Geloof het of niet, maar ondergetekende was vroeger christen.

Het lijkt nu misschien moeilijk voor te stellen. Een student wetenschappen, die ter ontspanning grasduint in filosofische werken en lid is van de Partij der Goddeloze Blauwen; die zo kritisch door het leven gaat dat hij regelmatig Descartes’ cogito ergo sum erbij moet halen om zichzelf ervan te overtuigen dat hij wel degelijk bestaat; die zelfs “Religie ist das Opium des Volkes” een inspirerend citaat vindt, ondanks de auteur.

En toch was ik vroeger devoot christen. Daarom niet het type pilaarbijter dat op zondag vroeg opstaat (het gedacht alleen al…) om een gewaad aan te hijsen en kaarsen aan te steken, ter meerdere eer en glorie van een opperwezen dat altijd en overal aanwezig is, maar nog ietsje meer in de tabernakel en – met dank aan de transsubstantiatie – ook in de magen van diegenen die ter communie gaan. Toen al was ik iets te nuchter om aan te nemen dat een wit plakje gebak (van een derderangs bakker) door wat hocuspocus van een oude meneer in jurk veranderde in het lichaam van de Heiland, aan het kruis gestorven ter vergeving van onze zonden – hoewel ik toen nog niet nuchter en grofgebekt genoeg was om aan de priester te vragen wat voor een vader die God wel niet moest zijn, dat hij onze zonden pas kon vergeven nadat we Zijn Zoon aan het kruis nagelden.

Mt 5:15 (of: Life of Brian)

Wel was ik opgevoed in een christelijk gezin, katholiek gedoopt – want we zijn in België – en regelmatig samen met de ouders te gast bij een half-Engels, half-Antwerps protestants splintergroepje. Niet alleen voor de sympathieke mensen en lekkere pistolets, maar ook voor de bijbellezingen door onze Schotse dominee Brian, die overigens verbazingwekkend goed Nederlands sprak. De man was in een vorig leven kernfysicus, tot hij door God geroepen werd. Vrij letterlijk zelfs: toen ik hem op een avond bij mij thuis interviewde voor een schoolproject over protestantisme, vertelde hij hoe hij elke avond een stukje uit de bijbel las en zich erdoor geïnspireerd voelde. Kort nadien kwam hij een kennis tegen op een congres, die hem begroette met de woorden: “Hij wil dat je ja zegt.” “Wie?” “Hij.”

Brian was niet de enige persoon die mij Gods wegen leerde kennen. Ook mijn vader en moeder deden hun duit in het zakje, met behulp van een geïllustreerde kinderbijbel. Veilig op de schoot van mama of papa gezeten, zag ik het ene bijbelse tafereel na het andere voor ogen. Kaïn en Abel. De zondvloed. De slavernij in Egypte. De ballingschap in Babylon. Zo kwam het dat ik reeds op achtjarige leeftijd Boney M’s Rivers of Babylon herkende als Psalm 137 in een “modern” kleedje.

Ook mag ik zeker de pastoor van mijn parochie niet vergeten. Frans Van Thillo heet de man, maar voor mij en de andere kinderen op de lagere school naast de kerk van Maria-ter-Heide was hij “meneer pastoor” of “meneer de deken” (als deken van Brasschaat). Een goedlachse, vaderlijke figuur, bescheiden, warm in de omgang. Naar de mis ging ik slechts als het door de school verplicht was – en voor mijn Vormsel, uiteraard – en op de school zagen we hem voor zover ik mij herinner alleen als hij de biecht kwam afnemen, maar ondanks dit schaarse contact spreekt hij me nog altijd aan bij mijn naam  als we mekaar ‘ns tegenkomen in de inkomsthal van het AZ Klina. Meneer pastoor was dan ook een zeer bijzonder man: in de eerste plaats een dienaar van de mensen in de geest van Jezus Christus, pas dààrna dienaar van de Kerk. Toen hij twee jaar geleden op pensioen (maar niet op rust) ging, verscheen een interview met hem in het gemeentelijk blad De Parkbode, waarin hij vertelde dat hij als hedendaagse jongere misschien wel maatschappelijk werker geworden zou zijn in plaats van priester. Om een of andere reden heb ik dat altijd geweten.

Mt 27:46 (of: Mijn God, waarom heb ik u verlaten?)

Lange tijd bleef ik rotsvast in mijn geloof in de Heer; een God wier liefde geen grenzen kent, die ons allen voortdrijft en inspireert, die ons onze eigen stommiteiten laat begaan, zodat we uit de pijn achteraf een les zouden trekken – maar die de eerste is om Zijn arm om onze schouder te leggen als we pijn hebben, onze eerste en laatste toevlucht, zelfs wanneer alle anderen ons verlaten hebben. Mijn geloof bracht mij grote troost in die jaren: door mijn zwakke gezondheid kon ik niet vaak naar school en sociale omgang met leeftijdsgenootjes was voor mij dus niet vanzelfsprekend. Mijn échte vrienden in die tijd waren (familie niet meegerekend) maar met twee: mijn kameraad Chris en Jezus. Troost vond ik in een warme knuffel van mijn moeder of in een stil gebed – zelf noem ik het liever: een babbel tegenover een goed luisteraar – voor het slapengaan.

In de jaren daarna, toen ik langzaam maar zeker begon te puberen, begon mijn geloof echter te wankelen. Een cynicus zou misschien zeggen dat ik opgroeide. De redenen waren velerlei, zoveel dat ik ze zelf waarschijnlijk niet allemaal kan aanwijzen. Één van die redenen was ongetwijfeld mijn eerste echte confrontatie met pijn en lijden: het overlijden van mijn klasgenoot Yannick. Overleden in juni, op de namiddag na het laatste examen, nadat hij mocht meerijden op de brommer van een kennis. Aan het kruispunt bij de oprit van de E19 gebeurde er een ongeluk. Yannick droeg geen helm. Voor zover ik weet was hij toen twaalf jaar oud; vandaag is hij dat nog. Ondanks het feit dat we niet altijd met mekaar konden opschieten – zeker niet op de lagere school –, kon ik maar niet inzien wat hij dan wel misdaan moest hebben dat God hem zo zwaar strafte. Een God die van Zijn kinderen houdt, doet zoiets toch niet? Een antwoord op mijn vraag heb ik nooit gevonden.

Ironisch genoeg is de tweede reden voor het verlies van mijn geloof de aankoop van mijn eigen, persoonlijke, spiksplinternieuwe bijbel. Willibrordvertaling, “geheel herziene uitgave 1995”, in 2001 uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting in ’s-Hertogenbosch, aangekocht voor de godsdienstlessen – want ook in het middelbaar zat ik op een katholieke school. Elke keer ik dat boek open, ben ik bang dat het dunne papier gaat scheuren en de letters zijn zo klein dat ik er amper in kan lezen zonder hoofdpijn te krijgen. Het evangelie had ik snel uitgelezen (in viervoud, zoals het hoort) en ook het boek Genesis had ik vrij snel gelezen, al kan ik me niet herinneren of ik er ook in geloofde. Door de jaren heen greep ik steeds terug naar de bijbel en hoe meer ik erin las, hoe meer het mij in verwarring bracht. Gaandeweg begon ik de inconsistenties tussen de evangeliën op te merken en ook de oudtestamentische teksten brachten mij een gevoel van onbehagen, vooral de haast absurde regels in het boek Leviticus. Neem hoofdstuk 15, verzen 19 tot en met 24:

[19]Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein. [20]Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens. [21]Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. [22]Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. [23]Ook iemand die datgene aanraakt wat zich bevindt op de slaapplaats, of op de plaats waar zij gezeten heeft, wordt onrein tot de avond. [24]Heeft iemand gemeenschap met zo’n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein.

Dat God zijn kinderen slechts kon liefhebben wanneer ze al deze regels en regeltjes, hoe absurd ook, tot in de puntjes opvolgden, ging er bij mij niet in.

De derde en misschien belangrijkste push richting atheïsme kreeg ik waarschijnlijk tijdens de lessen wetenschap en geschiedenis, waar ik kennismaakte met de wetenschappelijke methode, met hypothesen en theorieën. Met wetenschap zelf was ik al lang bekend: als kind was een van mijn favoriete boeken een jeugdencyclopedie en ik wist dus al te goed dat alles om mij heen bestond uit moleculen en atomen, hoewel het lang duurde voor ik besefte dat ook ik een klomp moleculen ben die kan spreken en denken en knuffelen. Maar het empirisch, kritisch denken op zich, de achterliggende redeneringen van de wetenschap, hebben mijn leven grondig veranderd. Het werd voor mij onmogelijk om te geloven in een wezen dat alwetend, almachtig en alomtegenwoordig was, dat ik bovendien niet kon horen, zien, ruiken of proeven (dat laatste heb ik nooit echt geprobeerd). Over het voelen heb ik nog lange tijd getwijfeld, gezien mijn eerdere ervaring met de troostende werking van het gebed; tot ik besloot om een experiment uit te voeren. In plaats van ’s avonds met Jezus te praten, creëerde ik voor mijn proef een ingebeelde vriendin (zoals al gezegd, in die tijd was ik aan het puberen) met wie ik over dezelfde onderwerpen sprak. Hoe langer ik dit experiment voortzette, hoe meer ik me realiseerde dat ik al die tijd met mezélf converseerde: mijn hersenen bleken me enorm goed advies te kunnen geven wanneer ik in derde persoon over mezelf dacht.

Mt 16:18 (of: Geen rots om Zijn kerk op te bouwen)

Vandaag de dag wekt mijn verhaal slechts weinig verbazing: nooit eerder waren de kerken zo leeg, nooit eerder waren er zo weinig gelovigen. Daarvoor draagt de Kerk zelf een grote verantwoordelijkheid: haar vertegenwoordigers – vooral uit de hogere echelons – blijven moraliseren en met het vingertje wijzen, naar homo’s, ongelovigen, condoomgebruikers en aanverwante slachtoffers van mei ’68; terwijl ze zich amper in een positie bevinden om de moral high ground in te nemen, want net zoals bij “gewone mensen” is de wil (soms) goed, maar het vlees te zwak. Zelfs personen als Roger monseigneur Vangheluwe, een joviale man van het volk, blijken niet in staat om zich te houden aan het evangelie of zelfs een andere morele basis. En zelfs personen als Godfried kardinaal Danneels, die ook door ongelovigen geloofd werd als een bruggenbouwer, een gematigde, een figuur van verzoening, blijken niet bestand tegen de lokroep van de macht.

Want vergis u niet: de Rooms-Katholieke Kerk is bovenal een machtsinstituut, bestemd voor de voortzetting van de ware apostolische missie, zoals opgedragen door Jezus Christus aan Zijn leerlingen. Haar taak is het verspreiden van het ware geloof, zoals geschreven in de bijbel – in de juiste versie, degene die zij goedgekeurd heeft – en verlossing kan slechts gebeuren door haar en met haar. Bijgevolg is zij te belangrijk en te groot om zich te bemoeien met akkefietjes als kinderen die door Haar dienaars verkracht worden. Belangrijker dan het leed van de slachtoffers is de manier waarop zij de dienaars van de Kerk – en bijgevolg de hele Kerk – schade toebrengen door zich uit te spreken over de ellende die ze als kinderen hebben meegemaakt. Zo groot is de vrees dat deze feiten de Blijde Boodschap zullen ondermijnen, dat haar dienaren er alles aan doen om de slachtoffers tot zwijgen te brengen en zo hun morele macht te herstellen, daarbij over het hoofd ziende dat het net hun lakse houding tegenover wantoestanden in eigen rangen is die de mensen van haar vervreemdt.

In het evangelie wordt hun houding mooi beschreven:

[22]Velen zullen Mij op die dag zeggen: “Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?” [23]Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen: “Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!”

(Mt 7:22-23)

Mt 5:7 (of: De Da Vinci Code en ethiek)

Ondanks mijn afscheid van het geloof en mijn afkeer van de politiek die de Kerk voert, kan ik een zekere pijn niet onderdrukken wanneer atheïsten genre Richard Dawkins verkondigen hoe religie leidt tot intolerantie en daarom bestreden moet worden met de kracht van de ratio (wat een voorbeeld van tolerantie) of wanneer priesters met een scheef oog bekeken worden omdat zij de pech hebben een paar rotcollega’s en -bazen te hebben. Elke keer opnieuw denk ik dan aan dat citaat van Mohandas Karamchand “Mahatma” Gandhi:

I like your Christ, I do not like your Christians. Your Christians are so unlike your Christ.

De centrale these van de morele voorschriften in het Nieuwe Testament – Jezus’ categorische imperatief, zo u wil – is naastenliefde en solidariteit. Los van alle religieuze abracadabra errond, de mirakels, de verrijzenis, de drie-eenheid en diens meer, loont het de moeite om deze waarden opnieuw te bekijken. Naastenliefde heeft immers niets te maken met religie en in tegenstelling tot wat de georganiseerde religies beweren, hebben zij er geen alleenrecht op. Een oproep tot vrijwillige, eerlijke, belangeloze naastenliefde is niet alleen terug te vinden in het evangelie (wanneer we de katholieke doemdenkerij over hel en vagevuur weglaten), ook in de islam, het boeddhisme en het hindoeïsme – dan reken ik andere vormen van denken, zoals filosofisch of economisch denken, geeneens mee.

Tal van groten én kleinen der aarde doen pogingen, hoe klein ook, om het leven van hun medemensen te verbeteren. Pater Damiaan, Nelson Mandela en Mahatma Gandhi kunnen daarbij gerekend worden, maar evengoed Bill Gates, Warren Buffett en Bono (hoewel ik in hun geval niet zeker weet of het gaat om belangenloze naastenliefde, maar het resultaat is hetzelfde). Ik zie niet in waarom Jezus uit dit rijtje weggelaten zou moeten worden. Maakt het uit dat een aantal oude mannen beweren dat hij de zoon van God is, dat hij mirakels heeft verricht en dat hij al onze gebeden hoort? Misschien kunnen we op die manier zelfs een les trekken uit De Da Vinci Code: zou het uitmaken als Jezus een gewone man was, met een vrouw en kinderen? Zou het uitmaken als hij niet eens bestond? Zou dat het nut van empathie plots tenietdoen?

Mt 5:48 (of: Jullie zullen onverdeeld goed zijn)

De secularisering van onze maatschappij lijkt gepaard te gaan met een toenemend materialisme en een ieder-voor-zich-attitude: solidair zijn we slechts wanneer het gaat om gemediatiseerde events, bij voorkeur waarbij we een plaatje kunnen aanvragen als we goed ons best hebben gedaan. Terwijl ik, als atheïst, de eerste tendens toejuich, ben ik teleurgesteld in de tweede. Hoewel ieder voor zich moet uitmaken wat hem of haar gelukkig maakt – dat is de kern van mijn denken – word ik droef gestemd wanneer ik denk aan allen die gisteren géén kerstavond hebben kunnen vieren: eenzame senioren, armen, slachtoffers van oorlog en honger. Al degenen die geen familie meer hebben, al degenen die moeten wachten op een volgende editie van Music for Life om hun levenskwaliteit te zien verbeteren.

Misschien is de kerstperiode een mooie tijd om daarover na te denken. En om ons denken in 2011 te vertalen naar handelen. Zoveel tijd kost het niet om boodschappen mee te nemen voor uw bejaarde buurvrouw; zo duur of lelijk is een sjaal uit de wereldwinkel niet.

Zelf heb ik net twintig euro overgemaakt aan de ngo Protos, die ijvert voor betere watervoorzieningen in de derde wereld. Geen overbodige luxe, want diarree ten gevolge van verontreinigd drinkwater is één van de grootste doodsoorzaken in het zuiden. Voor mijn part hoeft u niet hetzelfde te doen. Ik wil niet hoog van de toren blazen omdat ik mijn naastenliefde op een andere manier uit dan u, of omdat ik een hoger bedrag heb gegeven dan u. Maar denk er gewoon ‘ns over na. Nu of binnen vier maanden, als iedereen Music for Life en de kerstgedachte weer vergeten is.

Dan ga ik ondertussen mijn pakjes uitpakken en wegzetten, want ook met een kleinigheidje voor familie en vrienden is niks mis. Daarna nog wat in de bijbel lezen, ik heb de smaak weer te pakken.

Zalig kerstfeest!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.