Geloof het of niet, maar ondergetekende was vroeger christen.
Het lijkt nu misschien moeilijk voor te stellen. Een student wetenschappen, die ter ontspanning grasduint in filosofische werken en lid is van de Partij der Goddeloze Blauwen; die zo kritisch door het leven gaat dat hij regelmatig Descartes’ cogito ergo sum erbij moet halen om zichzelf ervan te overtuigen dat hij wel degelijk bestaat; die zelfs “Religie ist das Opium des Volkes” een inspirerend citaat vindt, ondanks de auteur.
En toch was ik vroeger devoot christen. Daarom niet het type pilaarbijter dat op zondag vroeg opstaat (het gedacht alleen al…) om een gewaad aan te hijsen en kaarsen aan te steken, ter meerdere eer en glorie van een opperwezen dat altijd en overal aanwezig is, maar nog ietsje meer in de tabernakel en – met dank aan de transsubstantiatie – ook in de magen van diegenen die ter communie gaan. Toen al was ik iets te nuchter om aan te nemen dat een wit plakje gebak (van een derderangs bakker) door wat hocuspocus van een oude meneer in jurk veranderde in het lichaam van de Heiland, aan het kruis gestorven ter vergeving van onze zonden – hoewel ik toen nog niet nuchter en grofgebekt genoeg was om aan de priester te vragen wat voor een vader die God wel niet moest zijn, dat hij onze zonden pas kon vergeven nadat we Zijn Zoon aan het kruis nagelden.
Mt 5:15 (of: Life of Brian)
Wel was ik opgevoed in een christelijk gezin, katholiek gedoopt – want we zijn in België – en regelmatig samen met de ouders te gast bij een half-Engels, half-Antwerps protestants splintergroepje. Niet alleen voor de sympathieke mensen en lekkere pistolets, maar ook voor de bijbellezingen door onze Schotse dominee Brian, die overigens verbazingwekkend goed Nederlands sprak. De man was in een vorig leven kernfysicus, tot hij door God geroepen werd. Vrij letterlijk zelfs: toen ik hem op een avond bij mij thuis interviewde voor een schoolproject over protestantisme, vertelde hij hoe hij elke avond een stukje uit de bijbel las en zich erdoor geïnspireerd voelde. Kort nadien kwam hij een kennis tegen op een congres, die hem begroette met de woorden: “Hij wil dat je ja zegt.” “Wie?” “Hij.”
Brian was niet de enige persoon die mij Gods wegen leerde kennen. Ook mijn vader en moeder deden hun duit in het zakje, met behulp van een geïllustreerde kinderbijbel. Veilig op de schoot van mama of papa gezeten, zag ik het ene bijbelse tafereel na het andere voor ogen. Kaïn en Abel. De zondvloed. De slavernij in Egypte. De ballingschap in Babylon. Zo kwam het dat ik reeds op achtjarige leeftijd Boney M’s Rivers of Babylon herkende als Psalm 137 in een “modern” kleedje.
Ook mag ik zeker de pastoor van mijn parochie niet vergeten. Frans Van Thillo heet de man, maar voor mij en de andere kinderen op de lagere school naast de kerk van Maria-ter-Heide was hij “meneer pastoor” of “meneer de deken” (als deken van Brasschaat). Een goedlachse, vaderlijke figuur, bescheiden, warm in de omgang. Naar de mis ging ik slechts als het door de school verplicht was – en voor mijn Vormsel, uiteraard – en op de school zagen we hem voor zover ik mij herinner alleen als hij de biecht kwam afnemen, maar ondanks dit schaarse contact spreekt hij me nog altijd aan bij mijn naam als we mekaar ‘ns tegenkomen in de inkomsthal van het AZ Klina. Meneer pastoor was dan ook een zeer bijzonder man: in de eerste plaats een dienaar van de mensen in de geest van Jezus Christus, pas dààrna dienaar van de Kerk. Toen hij twee jaar geleden op pensioen (maar niet op rust) ging, verscheen een interview met hem in het gemeentelijk blad De Parkbode, waarin hij vertelde dat hij als hedendaagse jongere misschien wel maatschappelijk werker geworden zou zijn in plaats van priester. Om een of andere reden heb ik dat altijd geweten.
Mt 27:46 (of: Mijn God, waarom heb ik u verlaten?)
Lange tijd bleef ik rotsvast in mijn geloof in de Heer; een God wier liefde geen grenzen kent, die ons allen voortdrijft en inspireert, die ons onze eigen stommiteiten laat begaan, zodat we uit de pijn achteraf een les zouden trekken – maar die de eerste is om Zijn arm om onze schouder te leggen als we pijn hebben, onze eerste en laatste toevlucht, zelfs wanneer alle anderen ons verlaten hebben. Mijn geloof bracht mij grote troost in die jaren: door mijn zwakke gezondheid kon ik niet vaak naar school en sociale omgang met leeftijdsgenootjes was voor mij dus niet vanzelfsprekend. Mijn échte vrienden in die tijd waren (familie niet meegerekend) maar met twee: mijn kameraad Chris en Jezus. Troost vond ik in een warme knuffel van mijn moeder of in een stil gebed – zelf noem ik het liever: een babbel tegenover een goed luisteraar – voor het slapengaan.
In de jaren daarna, toen ik langzaam maar zeker begon te puberen, begon mijn geloof echter te wankelen. Een cynicus zou misschien zeggen dat ik opgroeide. De redenen waren velerlei, zoveel dat ik ze zelf waarschijnlijk niet allemaal kan aanwijzen. Één van die redenen was ongetwijfeld mijn eerste echte confrontatie met pijn en lijden: het overlijden van mijn klasgenoot Yannick. Overleden in juni, op de namiddag na het laatste examen, nadat hij mocht meerijden op de brommer van een kennis. Aan het kruispunt bij de oprit van de E19 gebeurde er een ongeluk. Yannick droeg geen helm. Voor zover ik weet was hij toen twaalf jaar oud; vandaag is hij dat nog. Ondanks het feit dat we niet altijd met mekaar konden opschieten – zeker niet op de lagere school –, kon ik maar niet inzien wat hij dan wel misdaan moest hebben dat God hem zo zwaar strafte. Een God die van Zijn kinderen houdt, doet zoiets toch niet? Een antwoord op mijn vraag heb ik nooit gevonden.
Ironisch genoeg is de tweede reden voor het verlies van mijn geloof de aankoop van mijn eigen, persoonlijke, spiksplinternieuwe bijbel. Willibrordvertaling, “geheel herziene uitgave 1995”, in 2001 uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting in ’s-Hertogenbosch, aangekocht voor de godsdienstlessen – want ook in het middelbaar zat ik op een katholieke school. Elke keer ik dat boek open, ben ik bang dat het dunne papier gaat scheuren en de letters zijn zo klein dat ik er amper in kan lezen zonder hoofdpijn te krijgen. Het evangelie had ik snel uitgelezen (in viervoud, zoals het hoort) en ook het boek Genesis had ik vrij snel gelezen, al kan ik me niet herinneren of ik er ook in geloofde. Door de jaren heen greep ik steeds terug naar de bijbel en hoe meer ik erin las, hoe meer het mij in verwarring bracht. Gaandeweg begon ik de inconsistenties tussen de evangeliën op te merken en ook de oudtestamentische teksten brachten mij een gevoel van onbehagen, vooral de haast absurde regels in het boek Leviticus. Neem hoofdstuk 15, verzen 19 tot en met 24:
[19]Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein. [20]Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens. [21]Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. [22]Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. [23]Ook iemand die datgene aanraakt wat zich bevindt op de slaapplaats, of op de plaats waar zij gezeten heeft, wordt onrein tot de avond. [24]Heeft iemand gemeenschap met zo’n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein.
Dat God zijn kinderen slechts kon liefhebben wanneer ze al deze regels en regeltjes, hoe absurd ook, tot in de puntjes opvolgden, ging er bij mij niet in.
De derde en misschien belangrijkste push richting atheïsme kreeg ik waarschijnlijk tijdens de lessen wetenschap en geschiedenis, waar ik kennismaakte met de wetenschappelijke methode, met hypothesen en theorieën. Met wetenschap zelf was ik al lang bekend: als kind was een van mijn favoriete boeken een jeugdencyclopedie en ik wist dus al te goed dat alles om mij heen bestond uit moleculen en atomen, hoewel het lang duurde voor ik besefte dat ook ik een klomp moleculen ben die kan spreken en denken en knuffelen. Maar het empirisch, kritisch denken op zich, de achterliggende redeneringen van de wetenschap, hebben mijn leven grondig veranderd. Het werd voor mij onmogelijk om te geloven in een wezen dat alwetend, almachtig en alomtegenwoordig was, dat ik bovendien niet kon horen, zien, ruiken of proeven (dat laatste heb ik nooit echt geprobeerd). Over het voelen heb ik nog lange tijd getwijfeld, gezien mijn eerdere ervaring met de troostende werking van het gebed; tot ik besloot om een experiment uit te voeren. In plaats van ’s avonds met Jezus te praten, creëerde ik voor mijn proef een ingebeelde vriendin (zoals al gezegd, in die tijd was ik aan het puberen) met wie ik over dezelfde onderwerpen sprak. Hoe langer ik dit experiment voortzette, hoe meer ik me realiseerde dat ik al die tijd met mezélf converseerde: mijn hersenen bleken me enorm goed advies te kunnen geven wanneer ik in derde persoon over mezelf dacht.
Mt 16:18 (of: Geen rots om Zijn kerk op te bouwen)
Vandaag de dag wekt mijn verhaal slechts weinig verbazing: nooit eerder waren de kerken zo leeg, nooit eerder waren er zo weinig gelovigen. Daarvoor draagt de Kerk zelf een grote verantwoordelijkheid: haar vertegenwoordigers – vooral uit de hogere echelons – blijven moraliseren en met het vingertje wijzen, naar homo’s, ongelovigen, condoomgebruikers en aanverwante slachtoffers van mei ’68; terwijl ze zich amper in een positie bevinden om de moral high ground in te nemen, want net zoals bij “gewone mensen” is de wil (soms) goed, maar het vlees te zwak. Zelfs personen als Roger monseigneur Vangheluwe, een joviale man van het volk, blijken niet in staat om zich te houden aan het evangelie of zelfs een andere morele basis. En zelfs personen als Godfried kardinaal Danneels, die ook door ongelovigen geloofd werd als een bruggenbouwer, een gematigde, een figuur van verzoening, blijken niet bestand tegen de lokroep van de macht.
Want vergis u niet: de Rooms-Katholieke Kerk is bovenal een machtsinstituut, bestemd voor de voortzetting van de ware apostolische missie, zoals opgedragen door Jezus Christus aan Zijn leerlingen. Haar taak is het verspreiden van het ware geloof, zoals geschreven in de bijbel – in de juiste versie, degene die zij goedgekeurd heeft – en verlossing kan slechts gebeuren door haar en met haar. Bijgevolg is zij te belangrijk en te groot om zich te bemoeien met akkefietjes als kinderen die door Haar dienaars verkracht worden. Belangrijker dan het leed van de slachtoffers is de manier waarop zij de dienaars van de Kerk – en bijgevolg de hele Kerk – schade toebrengen door zich uit te spreken over de ellende die ze als kinderen hebben meegemaakt. Zo groot is de vrees dat deze feiten de Blijde Boodschap zullen ondermijnen, dat haar dienaren er alles aan doen om de slachtoffers tot zwijgen te brengen en zo hun morele macht te herstellen, daarbij over het hoofd ziende dat het net hun lakse houding tegenover wantoestanden in eigen rangen is die de mensen van haar vervreemdt.
In het evangelie wordt hun houding mooi beschreven:
[22]Velen zullen Mij op die dag zeggen: “Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?” [23]Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen: “Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!”
(Mt 7:22-23)
Mt 5:7 (of: De Da Vinci Code en ethiek)
Ondanks mijn afscheid van het geloof en mijn afkeer van de politiek die de Kerk voert, kan ik een zekere pijn niet onderdrukken wanneer atheïsten genre Richard Dawkins verkondigen hoe religie leidt tot intolerantie en daarom bestreden moet worden met de kracht van de ratio (wat een voorbeeld van tolerantie) of wanneer priesters met een scheef oog bekeken worden omdat zij de pech hebben een paar rotcollega’s en -bazen te hebben. Elke keer opnieuw denk ik dan aan dat citaat van Mohandas Karamchand “Mahatma” Gandhi:
I like your Christ, I do not like your Christians. Your Christians are so unlike your Christ.
De centrale these van de morele voorschriften in het Nieuwe Testament – Jezus’ categorische imperatief, zo u wil – is naastenliefde en solidariteit. Los van alle religieuze abracadabra errond, de mirakels, de verrijzenis, de drie-eenheid en diens meer, loont het de moeite om deze waarden opnieuw te bekijken. Naastenliefde heeft immers niets te maken met religie en in tegenstelling tot wat de georganiseerde religies beweren, hebben zij er geen alleenrecht op. Een oproep tot vrijwillige, eerlijke, belangeloze naastenliefde is niet alleen terug te vinden in het evangelie (wanneer we de katholieke doemdenkerij over hel en vagevuur weglaten), ook in de islam, het boeddhisme en het hindoeïsme – dan reken ik andere vormen van denken, zoals filosofisch of economisch denken, geeneens mee.
Tal van groten én kleinen der aarde doen pogingen, hoe klein ook, om het leven van hun medemensen te verbeteren. Pater Damiaan, Nelson Mandela en Mahatma Gandhi kunnen daarbij gerekend worden, maar evengoed Bill Gates, Warren Buffett en Bono (hoewel ik in hun geval niet zeker weet of het gaat om belangenloze naastenliefde, maar het resultaat is hetzelfde). Ik zie niet in waarom Jezus uit dit rijtje weggelaten zou moeten worden. Maakt het uit dat een aantal oude mannen beweren dat hij de zoon van God is, dat hij mirakels heeft verricht en dat hij al onze gebeden hoort? Misschien kunnen we op die manier zelfs een les trekken uit De Da Vinci Code: zou het uitmaken als Jezus een gewone man was, met een vrouw en kinderen? Zou het uitmaken als hij niet eens bestond? Zou dat het nut van empathie plots tenietdoen?
Mt 5:48 (of: Jullie zullen onverdeeld goed zijn)
De secularisering van onze maatschappij lijkt gepaard te gaan met een toenemend materialisme en een ieder-voor-zich-attitude: solidair zijn we slechts wanneer het gaat om gemediatiseerde events, bij voorkeur waarbij we een plaatje kunnen aanvragen als we goed ons best hebben gedaan. Terwijl ik, als atheïst, de eerste tendens toejuich, ben ik teleurgesteld in de tweede. Hoewel ieder voor zich moet uitmaken wat hem of haar gelukkig maakt – dat is de kern van mijn denken – word ik droef gestemd wanneer ik denk aan allen die gisteren géén kerstavond hebben kunnen vieren: eenzame senioren, armen, slachtoffers van oorlog en honger. Al degenen die geen familie meer hebben, al degenen die moeten wachten op een volgende editie van Music for Life om hun levenskwaliteit te zien verbeteren.
Misschien is de kerstperiode een mooie tijd om daarover na te denken. En om ons denken in 2011 te vertalen naar handelen. Zoveel tijd kost het niet om boodschappen mee te nemen voor uw bejaarde buurvrouw; zo duur of lelijk is een sjaal uit de wereldwinkel niet.
Zelf heb ik net twintig euro overgemaakt aan de ngo Protos, die ijvert voor betere watervoorzieningen in de derde wereld. Geen overbodige luxe, want diarree ten gevolge van verontreinigd drinkwater is één van de grootste doodsoorzaken in het zuiden. Voor mijn part hoeft u niet hetzelfde te doen. Ik wil niet hoog van de toren blazen omdat ik mijn naastenliefde op een andere manier uit dan u, of omdat ik een hoger bedrag heb gegeven dan u. Maar denk er gewoon ‘ns over na. Nu of binnen vier maanden, als iedereen Music for Life en de kerstgedachte weer vergeten is.
Dan ga ik ondertussen mijn pakjes uitpakken en wegzetten, want ook met een kleinigheidje voor familie en vrienden is niks mis. Daarna nog wat in de bijbel lezen, ik heb de smaak weer te pakken.
Zalig kerstfeest!

Reacties
amai
zo lang!
1)
leuke foto!
2)
kvind het een veeeeeeeeeel leukere gedachte dat jezus ne gewone mens had geweest dan iets bovennatuurlijks want anders is het toch vreemd da zo veel mensen zich kunnen vereenzelvigen, niewaar! en ik kan er ook nie aan uit da iets wa *mannen* enkele honderden (?) jaren na het leven van jezus hebben opgeschreven toch nog zo veel invloed heeft gehad en bovendien als échte regels werd/wordt behandeld!!
3)
Ik zou als comedian Dara O’Briain aanraden.
die heeft een filmpje op youtube over zijn visie op geloof
ge zou t is moeten zien
tis leuk
ik vind het ne goeien blog